Ze is kapot, zegt ze. Gemaakt, zegt ze.
Kapotgemaakt. De koffie is zwart en bitter.
Koffie en sigaretten, daar leeft ze op, zegt ze.
Nooit meer een eerlijke kans gehad, na een paar stomme fouten. Alles, wanhopig alles deed ze om er weer bij te horen. Tevergeefs. Het is haar aan te zien. Als haar eigen koffie lijkt ze. Voor haar kinderen probeert ze er nog wat van te maken, maar ook die worden direct in een hokje gezet: O, ben jij er eentje van díé…
Advocaat
Stilte. Ze staat op, pakt haar mobieltje van de schoorsteen en drukt een paar toetsen in. ‘Met mij. Luister, je kan me de boom in met je gedoe. Ik heb hier geen zin meer in. Als je nog wat van me moet bel je de advocaat maar. Wat? Hoezo? Lastig? Ik? Ik?! Ík ben lastig? Weet je wat je doet, je stikt er maar in.’ Ex nummer drie, zegt ze, en spuugt een paar erg lelijke woorden uit. Nare woorden om te horen over een medemens, zelfs als het een ex nummer drie is. Met een straal water uit een plantenspuit dooft ze een walmende peuk in de overvolle asbak. Rommel en stank. Zwart en bitter, rommel en stank.
Zeehondenbaby's en spaarlampen
Hoe het dan zo gekomen is, vraag je.
Geboren in een familie met geld, veel geld. Nooit iets tekort gekomen, zegt ze. Had lieve ouders, was populair op school, begon al heel jong met ‘van alles, je weet wel’, was een stoere blonde meid die zich op haar dertiende gretig liet ontmaagden door een man van achtentwintig. Meteen zwanger. Wist zij veel op die leeftijd. Papa regelde een abortus. De man van toen achtentwintig zit nu in de gemeenteraad en zet zich in voor zeehondenbaby’s en spaarlampen.
Schijnheilige smoelen
Ze staat op om de asbak te legen. De kinderen komen zo uit school.
Of ik weg moet? Nee, het kan nog wel even. Eigenlijk is haar leven wel zo’n beetje op dezelfde manier verder gegaan. Veel feesten, drank, mannen, en ondanks een paar abortussen toch nog twee gezonde kinderen gekregen. Waar ze superdankbaar voor is. En voor de rest kan de hele wereld een vreselijke ziekte krijgen. Haar familie voorop, die heeft haar laten vallen als een baksteen. De buurt, met al die schijnheilige smoelen, mag wat haar betreft in de grond zakken en nooit meer bovenkomen.
Bitter. De smaak in je mond als je naar huis rijdt. Gedachten die door je hersens tuimelen. Kapotgemáákt? Eigen verantwoordelijkheid? Spijt? Onmacht? Een páár stomme fouten? Hokjesdenken? Onbenaderbaar? Kansen? Schuld? Wie zonder zonde is werpe de eerste steen?
‘Zijn er nog altijd mensen die durven beweren dat het leven gemakkelijk is?’
Andrea Stribos-Esmeijer