Na het intoetsen van de code kan ik de afdeling op. Het ruikt er naar bloemkool.
Tussen de andere keurig gekapte en aangeklede dames en heren zit mijn moeder te dutten. Klein is ze, heel klein geworden. En krom, gebocheld door osteoporose, mager.
Het personeel is samen met vrijwilligers druk bezig met de voorbereidingen van de maaltijd. ‘Hallo! Leuk dat je er bent. Gaan jullie samen eten?’‘Zuster.’ Mijn pols wordt beetgepakt. ‘Ik moet nodig plassen en niemand wijst me de wc.’
‘Zo meteen,’ zeg ik. ‘U gaat eerst lekker eten.’ Mevrouw Rietveld zingt dit liedje de hele dag.
‘Een schande is het! Zuster! Deze mevrouw moet plassen, dat hoort u toch!’ Ontroerend dat ook in deze omgeving mensen nog voor elkaar opkomen, zoals mevrouw van Dam nu doet. Jammer alleen dat dit zo’n beetje het enige is wat deze dames te zeggen hebben.
Mijn moeder opent haar ogen. ‘Hee..’ Altijd weer die verraste toon, net als vroeger. ‘Ben jíj hier? Ben jij Cobie? Kom ‘es bij me, je bent zo’n schat.’ Haar handen pakken mijn hoofd. ‘Je bent toch Lenie, hè? Zo’n lieverd ben je. Lenie is niet thuis. Ben je nog boos?”
‘Nee hoor, ik ben niet boos.’
‘Lenie? Vindt vader dat goed, wat moet ik doen? Het is hier zo blauw, ik ben zo blauw ik ben zo blauw ik ben zo blauw. Misschien moet ik wel. Kan niet zeggen. Kom eens hier, je bent een liefje.’
Mijn moeder, de vrouw die de hele wereld aankon, die er altijd zo verzorgd uitzag, ‘verloor’ haar ondergebit (doorgetrokken? in een bloempot gestopt?), heeft alleen nog een bovenprothese. Daarmee bijt ze regelmatig degene die op dat moment in de buurt is. Niet omdat ze agressief is maar omdat ze contact zoekt, heel lijfelijk, heel primair, de enige manier die haar is overgebleven.
Nu doet ze het ook, in mijn hand. Ik heb het al zoveel keren meegemaakt, het doet geen pijn maar het blijft schrikken. Ik trek toch weer te snel mijn hand weg, waardoor mijn moeder op haar beurt van mij schrikt. Ach, zieltje toch.
‘Gaat u mee, mama, lekker eten?’
Mama gaat mee, lekker eten.
‘Mooi hè, wat mooi,’ zegt mijn moeder bij het aquarium.
‘Even zitten,’ zegt ze bij het bankje halverwege.
‘Als het maar niet koud is,’ zegt ze bij een foto van de Utrechtse Dom.
Maar uiteindelijk bereiken we de ontmoetingsruimte.
‘Nee,’ zegt mama.
‘Kom nou, mam, kijk eens wat lekker.’ Ik haal het deksel van het soepkommetje.
‘Wat moet ik nou doen? Waar is Boudewijn?’ Mijn moeder maakt rechtsomkeert en zet er stevig de pas in. ‘Ik moet naar - zo moeilijk ik ga.’
Als ik mijn moeder op een stoel heb gekregen en de soep gegeten is, ga ik koffie halen. Lekkere koffie, gratis en voor niks.
‘Koffie? Jij bent een grapjas, hoor. Als ik naar de slager ga zijn de magere van straat. Dan moet ik wel lachen.’ Fijntjes knijpt ze in mijn arm, even zie ik de glimlichtjes van vroeger in haar ogen. ‘Ja, dat vind jij wel leuk.’
‘Mam, u vergeet uw eten.’
‘Is dat voor mij?’ De verbazing in haar stem is telkens weer echt. ‘Lekker, jij ook een hapje.’ Haar drang tot delen was altijd bewonderenswaardig, maar dit keer bedank ik hartelijk, ik duw de lepel weg en veeg het gepureerde spul van mijn wang.
Dan staat mijn moeder op, kijkt om zich heen en zegt: ‘Ik ben blauw het is hier goed.’ Ja, het is hier goed. Als ik de berichten in de media hoor, besef ik ieder keer weer dat mijn moeder het ontzettend getroffen heeft. Zoveel leuke activiteiten, zoveel betrokkenheid met de bewoners. Zo goed. Dat zou ook wel eens in de krant mogen.
Andrea